Arita Baaijens groeide op in het gereformeerde Ede, studeerde biologie aan de Vrije Universiteit. Na zeven jaar werken gaf ze haar baan als milieubioloog op om een onzeker avontuur in de Egyptische woestijn aan te gaan. Ze kocht kamelen en leerde in de woestijn te overleven. Als enige Westerse vrouw bereist ze in haar eentje en met kamelen de Sahara. De zelfgezochte eenzaamheid had een ingrijpend effect en veranderde haar kijken op het leven. In het kale landschap van zand en rotsen valt de mens terug op het pure bestaan. Als de tijd niet kan worden opgevuld met economische en culturele activiteiten komt een mens vanzelf tot reflectie. De confrontatie met de leegte kan beangstigend zijn, maar eenzaamheid maakt ook krachtig. In de woestijn leerde Arita Baaijens angst voor het onbekende om te zetten in een positieve kracht. Als je niemand om hulp kunt vragen bedenk je vanzelf oplossingen. Waar niets is kenmerkt het ontbreken van gereedschap de ware meester.
De fascinatie voor de woestijn is een constante, maar na jaren reizen in de leegte volgden trektochten in een bewoonde woestijn. Benieuwd naar de achtergronden van hongersnoden en etnische conflicten reisde de schrijfster diverse malen door Darfur onder begeleiding van gewapende beschermers. Een westerse vrouw kan in de ogen van Arabische mannen onmogelijk een expeditie leiden en de problemen onderweg waren niet gering. Toch ontstond er telkens weer een hechte band tussen de schrijfster en haar begeleiders, een band die was gebaseerd op respect en onderling vertrouwen. Na het uitbreken van de oorlog keerde Arita Baaijens terug naar Darfur om voormalige reisgenoten op te zoeken. Van hen leerde zij dat een mens altijd een keus heeft, ook in oorlogstijd.
Nu, na twintig jaar zand en kamelen, is de woestijnreizigster toe aan een nieuwe uitdaging. In de Siberische Altai koopt ze paarden om daarmee verder te reizen, dieper Centraal Azië in, richting Afghanistan.







