©


Kirgizië - een adelaar als huisdier


Samsam, 2005


Mursul Tan staat naast de adelaar waarmee zijn opa in de bergen van Kirgizië jaagt. Op konijnen, vossen en wolven. Zijn vriendjes zijn jaloers, zegt de 12-jarige Mursul Tan. Want ze mogen niet mee als hij bij opa achterop het paard kruipt om te gaan jagen. Stoer pakt hij een zware leren handschoen en steekt zijn rechterhand erin. Even later zit Witte Vleugel, de adelaar, op zijn hand. Een kolos van een beest. Vijf kilo zwaar. Enorme klauwen. Een vleugelspanwijdte van twee meter. Een vlijmscherpe bek en priemende ogen. Daarmee kan hij een konijn op drie kilometer afstand haarscherp zien. Dat is nog eens wat anders dan een snorrende poes als huisdier.


‘Over zes jaar heb ik genoeg geleerd,' zegt Mursul. Met moeite houdt hij Witte Vleugel omhoog. Als hij meer spierballen heeft en alles weet over de jacht, mag Mursul een jonge adelaar uit een nest hoog in de bergen halen. En hem trainen. Een reuze gevaarlijke klus, want een hongerige adelaar kan niet alleen wolven aan maar ook mensen. Voorlopig assisteert Mursul zijn opa. Het is zijn taak om konijnen en vossen op te sporen. Hij moet er ook voor zorgen dat ze niet in een hol verdwijnen. Als de adelaar zijn prooi heeft gevangen, galoppeert Mursul's opa er in volle vaart op af. Met een geweer in de hand. Want als de vos of wolf niet dood zijn kunnen ze de adelaar lelijk toetakelen. De jacht lijkt misschien wreed, maar in de vrije natuur gaat het niet anders. Ook dan vangen roofvogels zwakke dieren. Alleen de sterke en slimste exemplaren blijven over.


‘Vroeger hadden mensen in mijn dorp geen geweer,' weet Mursul van zijn opa. Dorpsbewoners waren voor vlees afhankelijk van de adelaar. Tegenwoordig is de jacht een sport. Maar dan eentje waarvoor je geduld moet hebben. En dapper moet zijn. Mursul somt op wat hem allemaal te wachten staat. Als hij een jonge vogel heeft gevangen, moet hij het dier elke dag hapjes vlees voeren. De adelaar moet Mursul leren vertrouwen. Omgekeerd moet Mursul het karakter van de vogel leren kennen. Alleen dan kunnen ze als team werken. Om het dier niet af te leiden krijgt hij een leren kapje over zijn ogen. Zo blijft de adelaar rustig en laat hij zich op de hand vervoeren. Jagen hoeft Mursul zijn vogel straks niet bij te brengen, maar hij moet hem wel leren om de gevangen prooi niet meteen op te eten. Pas als de baas is gearriveerd mag hij zachte ingewanden oppeuzelen. De rest is voor Mursul. ‘Zie je zijn dikke buik?', vraagt Mursul. Vanochtend ving Witte Vleugel een konijn. Hij heeft per ongeluk ook wel eens een geit gepakt. Dat was minder.


Niet zo lang geleden raakte Mursul's opa de adelaar kwijt. Vossen gingen achter de vogel aan en jaagden het dier op. Weken later ving een kennis Witte Vleugel per ongeluk in een net. De man herkende de vogel meteen. Nu zit de adelaar weer op het honk, in de tuin van opa. ‘Niet voor eeuwig,' stelt Mursul gerust. Hij zegt dat een adelaar wel veertig jaar kan worden. Maar na tien jaar trouwe dienst laat zijn opa Witte Vleugel los. Dan brengen ze hem samen naar de bergen, met een dikke lap vlees als afscheidscadeau. Zo hoort het, zegt Mursul. Eenmaal vrij zorgt de adelaar voor nageslacht. En wie weet komt een van die jonge vogels later bij Mursul terecht. Mursul kijkt even naar zijn opa, die goedkeurend knikt. ‘Mijn kleinzoon wordt een goede jager,' klinkt het apetrots.